Onderzoek naar kinderen met internaliserende problemen

Donderdag 14 Februari 2019

Laat het verhaal van het kind zelf even zwaar meewegen in de diagnose als dat van de ouders: het is slechts een van de bevindingen uit het onderzoek van Marleen van Doorn naar diagnose en behandeling van kinderen met internaliserende problemen. Zij promoveert vrijdag 15 februari op een onderzoek bij de jeugdafdelingen van Pro Persona.

 

 

 

‘Kinderen zijn prima in staat om goed te verwoorden wat hun angsten en behoeften zijn’

 

‘Ruim 70% van de kinderen met een ernstige angst –of depressieve stoornis krijgt niet de juiste diagnose of behandeling. En als kinderen wel de juiste zorg krijgen, heeft 30-50% onvoldoende baat bij de behandeling’. Het zijn de eerste feiten die Marleen van Doorn naar voren brengt als we haar spreken. Het onderstreept voor haar het belang van goed praktijkonderzoek bij kinderen.

 



Onzichtbare klachten


Internaliserende problemen bij kinderen worden vaak over het hoofd gezien. In tegenstelling tot druk of agressief gedrag zijn angst en depressie niet zo zichtbaar. ‘Ik heb er nooit iets van gemerkt’ is een veel gehoorde opmerking. Dat maakt het vaststellen van deze problemen niet gemakkelijk.

 


Kinderen hebben hun eigen perspectief


Het eerste deel van het onderzoek ging over het vaststellen van internaliserende problemen. Al snel werd duidelijk dat ouders en kinderen hun eigen, verschillende beleving hebben bij internaliserende problemen. Behandelaren gaan vaak meer uit van het verhaal van ouders dan dat van het kind. Ten onrechte volgens Marleen: ‘Uit het onderzoek blijkt dat kinderen vanaf 8 jaar prima in staat zijn om te verwoorden wat hun angsten en behoeften zijn. Het oordeel van het kind zou dus even zwaar moeten wegen als dat van de ouders bij het stellen van de diagnose’. Een concreet advies voor behandelaren is om vragenlijsten bij zowel kind als ouders af te nemen.

 



Praktische verbeterpunten


Het tweede deel van het onderzoek richtte zich op de behandeling van angststoornissen. Er werd onderzocht of er verschillen waren tussen het strikt toepassen van een protocollaire behandeling door getrainde behandelaren en de behandeling zoals die normaal gesproken door behandelaren gegeven wordt. ‘Reguliere behandeling bleek even effectief te zijn als een protocollaire behandeling. CGT, als evidence based methode, bleek in de reguliere behandeling al veel gebruikt te worden. En daarbij bleek het aantal benodigde sessies in de reguliere behandeling per saldo net wat minder te zijn dan bij de protocollaire behandeling.’, aldus Marleen.


Tot slot levert het onderzoek nog een aantal praktische verbeterpunten op: Behandeling voor kinderen met een angststoornis zou nog verbeterd kunnen worden door tijdens de sessies meer gebruik te maken van begeleide exposure. Ook is het belangrijk dat ouders betrokken worden. Meer specifiek: om ze voor te bereiden op het overnemen van de coachende rol van de therapeut. Zodat zij ook na de behandeling hun kind kunnen blijven stimuleren om angstige situaties aan te gaan. Dat voorkomt een mogelijke terugval op de lange termijn.



Meer informatie over internaliserende problemen bij kinderen: propersona.nl/kim

 

 

Marleen van Doorn (1986) studeerde ontwikkelingspsychologie aan de Radboud Universiteit en is sinds 2009 werkzaam bij de verschillende jeugdafdelingen van Pro Persona. In 2011 startte zij als buitenpromovendus haar onderzoek vanuit de academische werkplaats Inside Out. Momenteel werkt zij als GZ-psycholoog bij Pro Persona Overwaal, Expertisecentrum Angst, Dwang en PTSS. Het Expertisecentrum heeft het keurmerk TOPGGz. TOPGGz is zeer gespecialiseerde patiëntenzorg, in combinatie met wetenschappelijk onderzoek, innovatieve behandeling en kennisverspreiding.  

 


Naar het nieuwsoverzicht